Het ontwikkelingsmateriaal


In de leerstof zit een logische opbouw. In de leeftijd van 4 tot 6 jaar (de onderbouw) wordt er veel met zintuiglijk materiaal gewerkt. Deze zijn bestemd voor de ontwikkeling van gehoor, zicht, reuk en tastzin. Het gebruik van dit materiaal bevordert de relatie tussen handelen en denken: het doen draagt immers bij tot (over)denken.



Ook is er veel huishoudelijk materiaal. De bedoeling hiervan is tegemoet te komen aan de imitatiedrang die jonge kinderen zo eigen is. De activiteiten die hiervan uitgaan (poetsen, lappen, stoffen), dragen bij tot verfijning van de motoriek, die op zich weer belangrijk is voor het goed leren schrijven.







Daarnaast zijn er materialen die tot doel hebben de intellectuele vaardigheden te helpen ontwikkelen. Deze materialen met een stijgende moeilijkheidsgraad leren de kinderen eveneens om hun denken te ontwikkelen van concreet naar abstract niveau.


Het bijzondere van vele Montessori-materialen is dat het kind zelf kan vaststellen of de opdrachten juist zijn uitgevoerd, waardoor de zelfwerkzaamheid wordt bevorderd.



 
Het leerproces verloopt in fases: van handelen en verkennen, via ontdekken en herkennen, tot oefenen en beheersen.
 
In de midden- en bovenbouw werkt men op dezelfde wijze met het ontwikkelingsmateriaal. Door deze methode ontstaat er een 'leerlijn'.